Omgevingswet uitgesteld

Het vereenvoudigen van zaken voor de burger. Dat is de essentie van de meeste veranderingen binnen de overheid. Zo ook de invoering van de Omgevingswet. De wet moet er namelijk voor zorgen dat de ruimtelijke ontwikkeling bij de gemeente vereenvoudigt. Met andere woorden, de burger moet gemakkelijker bouwprojecten kunnen starten. En dat allemaal voor 1 juli 2019.

1 juli 2019?

Onlangs gaf de minister van Infrastructuur en Milieu, minister Schultz van Haegen, in een interview aan er een kink in de kabel zit. De Omgevingswet wordt uitgesteld. Dat zou te maken hebben met ‘benodigde complexe juridische aanpassingen’. Heeft dit uitstel dan gevolgen voor de invoering van deze wet? En merkt de burger, voor wie we dit in essentie doen, hier ook iets van?

De angst voor uitstel

Hoe ver de invoering van de Omgevingswet wordt uitgesteld is lastig te zeggen. Schultz geeft aan dat het ministerie hier met twee zaken worstelt. Aan de ene kant wil je een definitieve datum aangeven met zo min mogelijk uitstel. Dit houdt gemeenten alert en zorgt ervoor dat de ambtenaren niet achterover in hun stoel gaan hangen. Aan de andere kant sluipt het gevaar van een volgende uitstelling omdat men weer tegen juridische aspecten aanloopt die voor vertraging zorgen. Dit fenomeen zorgt dan keer op keer voor een teleurstelling waardoor het vertrouwen van de burger en gemeente kan afnemen. De minister heeft dus te maken met een dilemma waarvan beide keuzes niet optimaal zijn.

Gevolgen voor de burger

Tot nu toe zou het uitstellen van de wet geen gevolgen hebben voor de transitie in 2029. De Omgevingswet bestaat namelijk uit meerdere facetten, de vertraging die nu is opgelopen zit in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De transitie bestaat niet alleen uit het digitaal stelsel, maar ook uit het leren werken met de wet en het leren werken volgens de wet. De gevolgen voor de burger moeten dus minimaal tot niet merkbaar zijn.

Leonie den Uil, trainee Informatiemanagement bij Breinstein

;